Achtergrondverhaal: "Al is het maar om te schuilen"

Het tweede verhaal: maak kennis met Marjan Kramer, Hilda Olinga en Max De Haas van de kerk van Losdorp.

Achtergrondverhaal:

In de voorbereidingen van het festival ontmoeten we vaak bijzondere personen: de mensen die de zorg voor de eeuwenoude kerken op zich hebben genomen met liefde en toewijding. Zij kennen ‘hun’ kerken van binnen en van buiten en kunnen er prachtig over vertellen. Annejet Fransen, geschiedenisstudent met een zwak voor verhalen uit Groningen, nam het initiatief om deze vertellingen op te schrijven. In een reeks van acht afleveringen krijg je een kijkje in het leven van kerkbeheerders.

---

De top van de wierde van Losdorp staat vol met huisjes, beukenheggen en appelbomen. In het centrum van dat alles omgeeft een gracht de bakstenen Johanneskerk, gebouwd en herbouwd door de eeuwen. Toen de kerk in 2014 werd overgenomen door Stichting Oude Groninger Kerken (SOGK) verscheen er een oproep: er waren mensen nodig voor de plaatselijke commissie. Hilda Olinga, Marjan Kramer en Max de Haas zijn slechts enkelen van de mensen die respons gaven.

Penningmeester De Haas beweert al voor hij het wist in de commissie te zijn terechtgekomen: “Ik sukkelde mee naar de informatieavond, er kwam een presentielijst langs, ik wist niet waar het over ging…” Maar Hilda Olinga moet van een dergelijke lezing van de gebeurtenissen niets hebben. “Er werd gevraagd: ‘wie voelt er wat voor om in de plaatselijke commissie te zitten?’ en jouw reactie was: ‘doe mij de poen dan maar’,” schertst ze.

Alle gekheid ter zijde maken de veertien commissieleden grote vorderingen met hun missie om de kerk van Losdorp weer volop in gebruik te nemen. Er zijn grootse plannen waaraan nog veel gedaan moet worden, en terwijl ze hun verhaal doen bedenkt telkens één van de drie aanwezigen een onderwerp dat besproken, of een actie die ondernomen moet worden. Aan het gebouw zelf wordt ook gewerkt. “Er is een kleine verbouwing geweest waardoor we nu extra stopcontacten hebben”, vertelt Kramer. “En de lekkage is verholpen”, voegt Olinga toe. De restauratie van de elegante torenspits gaat nog komen.

Als je door het bruinhouten halletje de kerkzaal binnenstapt springen de kleuren je tegemoet. Niet van het witte plafond of het houten interieur, maar juist in de details die wijzen op recent gebruik: kussentjes op de banken, twintigste-eeuwse glas-in-loodramen, dozen boeken die zijn overgebleven van de verkoop op Open Monumentendag, een dienblad met bekertjes en sap voor bezoekers.

De kerk is elke dag open, voor toeristen of dorpelingen. “Al is het maar om te schuilen”, volgens Olinga. Het dorp is te klein voor veel onenigheid, en te klein voor wantrouwen. “Hier is geen vervelende jeugd,” zegt Hilda Olinga. “En jij woont hier tegenover”, zegt Marjan Kramer, “als er gespuis rondhangt zie je het gelijk.”

Het kerkje wordt ook al lange tijd gebruikt door de kerkelijke gemeente Spijk-Losdorp, maar dan slechts drie maal per jaar: Tweede Paasdag, Tweede Pinksterdag en Hemelvaart. De rest van het jaar kerken de protestants christelijke Losdorpsters (niet zo groot in getale, Olinga kan ze opnoemen) bij de buren in Spijk. Marjan Kramer: “Op kerstavond wordt hier al jaren een kerstfeest georganiseerd. Niet vanuit de kerk, maar door Dorpsbelangen Losdorp.” Max de Haas knikt. “Dat zit elk jaar mudvol.”

De komende tijd moet er veel meer gaan gebeuren in de kerk. Afgelopen april hield het Byzantijns koor Musica Son een goedbezocht concert in de kerk. Voor herhaling vatbaar: op Tweede Kerstdag komen ze weer. Dergelijke nieuwe initiatieven zijn steeds weer spannend.
Hilda Olinga: “Stel dat je hier ’n paar dure mensen hebt…”
Marjan Kramer: “…en dan komt er geen kip!” Maar het is het risico waard wanneer de kerk weer bezocht wordt en misschien zelfs de interesse in de rijke geschiedenis van het Groninger platteland nieuw leven inblaast. Olinga: “Het was doodzonde geweest als het niet van de grond was gekomen.” Max de Haas, met wat dichterlijke vrijheid, stelt het zo: “Hier was al geestelijk leven toen men in Amsterdam nog in konijnenvelletjes rondliep!”

Tekst: Annejet Fransen
Beeld: Nico Schutte